woensdag 21 oktober 2009

Slaap

Ik denk wel eens dat mijn brein het beste werkt vlak voordat ik in slaap val. Dan gaan mijn gedachtes alle kanten op. Een beetje als die grenzeloze fantasie, waarover ik eerder schreef. Op dat moment komen de mooiste woorden en zinnen in me op – uiteraard heb ik dan geen blocnote bij me, of überhaupt zin om pen en papier te gaan pakken. Het is best frustrerend. Het idee dat ik in een andere staat van bewustzijn moet zijn om op mooie ideeën te komen. Een geruststelling: het zít er wel. In mij. Het komt er alleen niet uit op momenten dat ik dat wil of wanneer het handig zou zijn. Die toestand van bijna-slapen is trouwens hoogst merkwaardig. Ik slaap niet, dus ik droom niet. Maar ik ben ook niet wakker. Hoe ik dat weet, weet ik niet. Maar ik weet wel dat ik op die momenten niet denk als mijzelf. Net alsof ik niet wordt tegengehouden door wie ik overdag ben of door alles wat door mijn hoofd gaat op het moment dat ik wel bij zinnen ben. Andere manieren voor mij om op schitterende verhalen te komen, zijn dromen. Ik droom vaak. Soms realistisch, soms heel luguber of spookachtig. Het komt heel zelden voor dat ik echt bang wordt van een droom. Meestal kan ik er iets positiefs uit halen, dat dan weer wel. Bijvoorbeeld een prettig gevoel of een voornemen. Maar soms zijn mijn dromen gewoonweg geniaal. Sorry dat ik het zo zeg, maar dat zijn ze. Ideeën voor verhalen waar ik nog nooit eerder op was gekomen, figuren die ik zelfs in mijn diepste fantasie niet had kunnen bedenken of zinnen die als muziek klinken. Op dat moment ben ik vol van mijzelf, dan heb ik het idee dat ik briljant ben. De ideeën zijn briljant. Wanneer ik dan echt wakker ben kunnen er twee dingen gebeuren. 1: Ik kan me er niets van herinneren. Helaas gebeurt me dit het meest. Dan weet ik zeker dat ik een geweldige droom heb gehad, iets waar ik iets aan kan hebben en iets dat eigenlijk best de moeite waard was. Maar wat dan precies, weet ik niet meer. Dat is verschrikkelijk: een idee hebben waar je je vinger niet op kunt leggen. En ik weet dat ik het wist, want het zat net nog in mijn hoofd. Maar alles wat er nu nog van over is, zijn een paar hersenspinsels waar ik geen vat op krijg. Flarden als het ware van een film in mijn hoofd, waarbij mijn ogen steeds dichtvallen. 2: Het is helemaal geen goed idee. Eigenlijk is het ronduit slecht. In mijn onderbewustzijn was het fantastisch, maar het blijkt dat dromen je goed voor de gek kunnen houden. Marco, je hebt gelijk: dromen zijn bedrog. Maar zoals Neil Gaiman schrijft in zijn verhalenbundel Spiegels en Rook: ‘Ik ga ook niet zitten treuren over waar jij je ideeën vandaan haalt.’ Het maakt niet uit waar je ideeën vandaan komen, als het maar werkt voor jou. Er zit maar één ding op: toch echt dat blocnote naast mijn bed neerleggen en de moeite nemen om alles op te schrijven waar ik aan denk. Dan kan ik in de ochtend wel beoordelen of het echt zo fantastisch is of niet.

zondag 18 oktober 2009

Truus

Mijn vader heeft heel lang gevochten tegen de TomTom. Jaren nadat iedereen al zo’n ding had gekocht, riep hij hoog en laag dat hij er nooit aan mee zou doen. Maar nu rijdt hij op vakantie niet eens naar een Albert Heijn zonder het adres ingevoerd te hebben. Wat is er van zijn idealen over? Het begon met een vakantie naar Italië. Ja, dan was het toch wel handig. En het heeft zijn nut bewezen, ook wat betreft mijn vader. Duizend kilometer van huis blijkt het apparaatje nog net zo goed te werken als in eigen land en mijn ouders hebben er op verschillende bergen en onbekende weggetjes in Florence dan ook genoeg profijt van gehad. Maar er zit ook een nadeel aan de technologie. Ik krijg regelmatig van mijn rijinstructeur te horen dat je bij het examen een opdracht uit moet voeren, denk aan: eerste rechts, derde links, alsmaar rechtdoor en dan bij de rotonde de derde afslag. Aangezien ik het geheugen heb van een goudvis (deze heeft een geheugen van drie seconden - dus een glazen kom is niet zielig: een goudvis denkt steeds opnieuw: ooh wat interessant hier, wat leuk - een observatie van Paulien Cornelisse, dacht ik), is dat voor mij nog best wel lastig. Een TomTom maakt zo’n opdracht een stuk makkelijker: hij geeft de route aan, maar stuurt je bovendien geen weggetjes in waar je niet in mag. Zonder Tom, moet je zelf opletten of een weg eenrichtingsverkeer is, of iets dergelijks. Voor mijn geheugen is de Tom een wereldwonder, voor mijn concentratievermogen een hel. Ik ben al zo verschrikkelijk snel afgeleid (als iemand een uitzonderlijk boeiend verhaal tegen me verteld en ik hoor in de omgeving iets anders interessants, luister in ongegeneerd met die ander mee – erg asociaal tegenover mijn gesprekspartner) en als ik dan ook nog op een éxtra ding moet letten tijdens het autorijden, kun je me afschieten. Ik heb al moeite met schakelen en tegelijkertijd dat fietspad in de gaten te houden. Enfin, als ik dan ook nog naar Tom moet kijken (luisteren voldoet ook, maar ik vertrouw de beschrijving nooit zo goed), gaat het allemaal mis. Ook wordt je er wellicht lui van. Kijk naar mijn vader. Met zo’n Tom hoef je nooit meer op borden te letten. Wel een voordeel: mijn moeder hoeft geen kaart meer te lezen. Dat was vroeger altijd de bron van familieruzies, boze uitspraken van mijn vader (‘Bedoel je rechts, of links? Dat is li-hinks!’ of ‘Ja, waar dan? Ik zie het toch niet! Zeg dan waar!’) en het gevolg: een chagrijnig kind op de achterbank. Toch zijn er momenten dat de Tom niet zo handig is. De weg van het Groene Hart naar Limburg is bijvoorbeeld verschrikkelijk. Mijn vader noemt de A2 de grootste bouwput van Nederland. Er wordt aangeraden om de navigatie uit te zetten. En dat is maar goed ook: Truus (sinds mijn vader een nieuwe auto heeft met ingebouwde navigatie, hoeven wij niet meer te luisteren naar Tom; daarvoor in de plaats is een vrouw met een aardappel in haar keel gekomen – bij gebrek aan beter noemen wij haar Truus) is helemaal van slag en roept om de haverklap zenuwachtig: ‘Probeer om te keren’. Aan het einde van de alle commotie kan ze opgelucht ademhalen. En wij glimlachen dan ook even bij het zien van het bordje: ‘Bedankt voor uw begrip’.

zaterdag 17 oktober 2009

Dromen

Jong en onbevreesd. Ik versloeg vampieren in het bos, demonen in mijn slaap. Niets was te hoog gegrepen voor mijn fantasie, alles was echt – of zo echt als ik wilde dat het was. Mijn inlevingsvermogen was grenzeloos, mijn vermogen om alles te geloven en alles te bedenken eindeloos. Ik merk nu pas echt dat ik dat kind in mij een beetje kwijt begin te raken. Vroeger kon ik overal over schrijven. Ik schreef verhalen van honderden pagina’s, voerde in mijn hoofd hele gesprekken met de personages. Maar dat wordt steeds moeilijker. Ik denk dat het te maken heeft met geloven. Het geloof in iets dat er niet is, het durven geloven in dingen die niet alledaags zijn. Dingen uit sprookjes, uit verhalen, uit boeken en dingen waar mensen (lees: volwassenen) niet over praten – behalve schrijvers. Ik weet nu dat ik niet kan schrijven over dingen waar ik niet in geloof. Hoe kan dat ook? Als schrijver moet je een verhaal geloofwaardig kunnen brengen. Je moet er zelf honderd procent achter staan. Je moet niet alleen in jezelf geloven, maar ook in de wereld die je hebt geschapen. Iets waarin je zelf niet geloofd is moeilijk te verkopen. Je moet jezelf wel serieus nemen, anders zal niemand anders dat ook doen. Maar nu ik in de twintig ben en toch dol op fantasie, merk ik dat het moeilijk begint te worden. Ik durf niet overal meer in te geloven, mijn gedachtes zijn niet meer zo grenzeloos. De realiteit slaat steeds harder toe en dan is het steeds moeilijker om je (durven) te verliezen in een wereld die niet echt is. Het kan fijn zijn om alles om je heen te vergeten, maar ik merk wel dat ik dat steeds onprettiger vind. De realiteit gaat immers niet weg, hoe hard je dat ook probeert. Dat is het nadeel van volwassen worden: het besef dat er maar één werkelijkheid is en dat je daar niets aan kunt doen. Misschien heeft het ook te maken met angst: ik durf ergens niet in te geloven, want als ik het opschrijf en ik sta er achter, dan kan het ook echt gebeuren. Ik ben niet snel bang en hou van griezelen, maar dat betekent dat die werkelijkheid en de fantasie één worden. Ik weet niet of dat zo verstandig is. Maar ik moet die angst wel kunnen loslaten om prachtige verhalen te schrijven. Toch mis ik het wel: me verliezen in een verhaal. Dagen achter elkaar schrijven over een wereld hier ver vandaan, met zijn eigen taal en eigen wezens. Me verliezen in een verhaal waarvan ik weet dat die helemaal en alleen van mij is. Mijn eigen stukje wereld, waarin alles kan en alles mag. Zolang ik het maar op papier zet, ik ben de baas. Ik probeer heel hard om die mogelijkheid weer terug te krijgen. Ik dwing mezelf om over alles te schrijven, zo hoop ik mijn inlevingsvermogen terug te vinden, mijn woordenschat en kwaliteiten als schrijver op te vijzelen en mijn fantasie weer grenzeloos te laten zijn. Want het is er nog wel, dat weet ik zeker. Ik hou er nog net zo van als tien jaar geleden. Ik ben misschien wat te snel volwassen geworden. Dat wilde ik ook en vond ik helemaal niet erg: ik heb er veel voor in de plaats gekregen. Maar nu probeer ik met man en macht weer een beetje kind te worden.

maandag 5 oktober 2009

Remarque

Als goede journalist, heb je altijd een bepaalde hoeveelheid kritiek nodig. Van anderen, maar ook van jezelf. En niet alleen op anderen, maar ook op jezelf. Ik vind dat je als journalist altijd jezelf moet (willen) verbeteren, altijd net even wat meer willen doen dan anderen en dan bij je vorige stuk. Ik heb zelfkritiek echt aan moeten leren. Vroeger schreef ik een stuk in een keer: ik hou niet van herschrijven. Dat kost tijd en meestal heb ik het idee dat het een tweede keer niet zo zeer duidelijker op papier komt. Maar tijdens mijn stage bij een lokale krant heb ik wel een wijze les geleerd: het kan altijd anders en het kan altijd beter. Herschrijven mag dan vervelend zijn, soms komt het een artikel wel ten goede. Je moet willen inzien dat hoe jij het doet, niet de enige goede is. Tjsa, dat kan wel eens vervelend zijn. Maar kritiek draagt bij aan je ontwikkeling. Niet alleen als journalist. In college was eens Niels 't Hooft te gast, een freelance gamejournalist. Hij vertelde iets wat mij heel bekend in de oren klinkt: ,,Als ik nu iets schrijf, vind ik altijd dat dat veel beter is dan wat ik vorige week schreef, of een jaar geleden. Ik kan het vaak niet eens teruglezen, vreselijk." Dat geldt ook voor mij: ik kan mij niet voorstellen dat ik twee jaar geleden een acht heb gehaald voor een stuk, wat ik nu vreselijk vind. Als ik dat nu had moeten schrijven, had ik het heel anders gedaan. En hoewel ik er toch een goed cijfer voor heb gehaald: het voldoet nu niet meer aan de eisen die ik aan mijzelf stel. Dat betekent dat ik toen al goed schreef, maar dat het in die twee jaar alleen maar beter is geworden. En daar mag ik best trots op zijn, zeker op de momenten dat ik het idee heb dat ik vastloop wat betreft persoonlijke of journalistieke groei: dat valt dus allemaal best wel mee. Kritiek kan vervelend zijn. Het kan je demotiveren. Maar een beetje zelfrespecterende journalist bekijkt het anders: het draagt bij aan een toekomst van het schrijven van alleen maar leuke, mooie, ontroerende en inspirerende stukken. Dat is mijn utopia.