zaterdag 17 oktober 2009
Dromen
Jong en onbevreesd. Ik versloeg vampieren in het bos, demonen in mijn slaap. Niets was te hoog gegrepen voor mijn fantasie, alles was echt – of zo echt als ik wilde dat het was. Mijn inlevingsvermogen was grenzeloos, mijn vermogen om alles te geloven en alles te bedenken eindeloos. Ik merk nu pas echt dat ik dat kind in mij een beetje kwijt begin te raken. Vroeger kon ik overal over schrijven. Ik schreef verhalen van honderden pagina’s, voerde in mijn hoofd hele gesprekken met de personages. Maar dat wordt steeds moeilijker. Ik denk dat het te maken heeft met geloven. Het geloof in iets dat er niet is, het durven geloven in dingen die niet alledaags zijn. Dingen uit sprookjes, uit verhalen, uit boeken en dingen waar mensen (lees: volwassenen) niet over praten – behalve schrijvers. Ik weet nu dat ik niet kan schrijven over dingen waar ik niet in geloof. Hoe kan dat ook? Als schrijver moet je een verhaal geloofwaardig kunnen brengen. Je moet er zelf honderd procent achter staan. Je moet niet alleen in jezelf geloven, maar ook in de wereld die je hebt geschapen. Iets waarin je zelf niet geloofd is moeilijk te verkopen. Je moet jezelf wel serieus nemen, anders zal niemand anders dat ook doen. Maar nu ik in de twintig ben en toch dol op fantasie, merk ik dat het moeilijk begint te worden. Ik durf niet overal meer in te geloven, mijn gedachtes zijn niet meer zo grenzeloos. De realiteit slaat steeds harder toe en dan is het steeds moeilijker om je (durven) te verliezen in een wereld die niet echt is. Het kan fijn zijn om alles om je heen te vergeten, maar ik merk wel dat ik dat steeds onprettiger vind. De realiteit gaat immers niet weg, hoe hard je dat ook probeert. Dat is het nadeel van volwassen worden: het besef dat er maar één werkelijkheid is en dat je daar niets aan kunt doen. Misschien heeft het ook te maken met angst: ik durf ergens niet in te geloven, want als ik het opschrijf en ik sta er achter, dan kan het ook echt gebeuren. Ik ben niet snel bang en hou van griezelen, maar dat betekent dat die werkelijkheid en de fantasie één worden. Ik weet niet of dat zo verstandig is. Maar ik moet die angst wel kunnen loslaten om prachtige verhalen te schrijven. Toch mis ik het wel: me verliezen in een verhaal. Dagen achter elkaar schrijven over een wereld hier ver vandaan, met zijn eigen taal en eigen wezens. Me verliezen in een verhaal waarvan ik weet dat die helemaal en alleen van mij is. Mijn eigen stukje wereld, waarin alles kan en alles mag. Zolang ik het maar op papier zet, ik ben de baas. Ik probeer heel hard om die mogelijkheid weer terug te krijgen. Ik dwing mezelf om over alles te schrijven, zo hoop ik mijn inlevingsvermogen terug te vinden, mijn woordenschat en kwaliteiten als schrijver op te vijzelen en mijn fantasie weer grenzeloos te laten zijn. Want het is er nog wel, dat weet ik zeker. Ik hou er nog net zo van als tien jaar geleden. Ik ben misschien wat te snel volwassen geworden. Dat wilde ik ook en vond ik helemaal niet erg: ik heb er veel voor in de plaats gekregen. Maar nu probeer ik met man en macht weer een beetje kind te worden.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Leuke tekst! Heel herkenbaar hoe je heen en weer slingert tussen je eigen bedenkingen!
BeantwoordenVerwijderen