De plek waar ik nu terecht ben gekomen is wel heel absurd. Ik moet stage lopen en ik heb het geluk dat ik dat bij een onwijs leuk blad mag doen. Maar het is wel absurd.
Journalisten zijn aparte types, dat weet ik allang. Zo had ik eens een stagebegeleider bij een krant die op enkel colaligt en broodjes kroket leek te leven. Maar muziekjournalisten zijn misschien nog een tikkeltje raarder. Maar daarom ook leuker.
Mijn werkplek is een vloer van een oud Arnhems pand; met hoge plafonds, hoge ramen en een schitterende hal met een oude trap. Maar er vallen ook heel wat andere dingen op.
Zo wordt het niet zo nauw genomen met hygiëne. De prullenbakken wordt weinig geleegd, er is geen zeep (ook niet in de wc), handdoeken en theedoeken maar af en toe verschoond, overal ligt een dikke laag stof op en het is een puinzooi. Bovendien zit er op het raam een platgeslagen wesp, maar nooit is de moeite genomen om die een waardig einde te geven en dus hangt hij daar maar zo'n beetje; met één vleugeltje en een verminkt achterlijf.
De eerste paar dagen dat ik aan een bureau zat (met brandplekken in het bureaublad en een toetsenbord zo smerig dat ik meteen de neiging had om het te gaan ontsmetten), rook ik terpentine. Nu mij dat een beetje onlogisch leek, ben ik mijn neus gevolgd en stuitte ik op de prullenbak, die na jaren van vieze, overvolle zakken te hebben moeten bewaren is gaan stinken naar rottend afval en oude koffie pads.
Overigens moet ik nog iets kwijt wat in deze tijd een beetje raar is. Iets dat 'er is ingeslopen', zo is mij verteld. Bijna iedereen op de werkvloer rookt. Binnen. Óp diezelfde werkvloer. Vandaar die brandvlekken in het bureau. De hele dag stijgen er kringeltjes blauwe rook achter de computers op, ik kan elke avond mijn haar wassen en mijn kleding gaat meteen bij thuiskomst in de was. Ik vraag me af of ik hier ooit aan zal wennen. Ik noem dan ook met reden de naam van dit blad niet.
Oh, er is ook nog een goudvis, die van ongelukkigheid niet eens goud meer is. Hij zwemt in een vierkante bak met spiegelglas, waardoor hij vast in ieder geval niet het idee heeft dat hij alleen is. Heel toepasselijk heeft hij een huisje in de vorm van een doodshoofd in zijn kom liggen, die van vuiligheid zwart is uitgeslagen. Samen met mijn mede-stagiaire heb ik de kom eens een sopje gegeven, en volgens mij wist vis niet wat hem overkwam. Hij leeft overigens nog steeds.
Ik durf bijna geen thee meer te drinken, niet van een bordje te eten of naar de wc te gaan - maar er moet wel gewerkt worden. Dus neem ik elke dag mijn eigen lunch mee en zitter er nu standaard reinigingdoekjes en ontsmettingsmiddel in mijn tas. Als er even niemand kijkt wrijf ik af en toe snel mijn handen schoon aan zo'n doekje en begraaf mijn neus stiekem in mijn handen. Ik wil niet zeuren, ik ben natuurlijk maar de stagiair, maar dit lijdt allemaal wel erg af.
Na drie maanden stage kan ik inmiddels wel zeggen dat ik compleet ben ingeburgerd. Ik erger me nergens meer aan. Na drie maanden zit mijn stageperiode er hier op en ondanks de lange aanpassingtijd zou ik het liefst nog maanden blijven.
Ik heb het geluk dat ik op een ontzettend gezellige redactie terecht ben gekomen. Je zou het niet verwachten op een redactie waar over muziek wordt geschreven, maar het is af en toe zelfs muisstil. Er knalt geen nieuwe plaat door de speakers: alles is redelijk ingetogen en serieus. Tot het moment dat de aandacht van iemand gewenst is en deze persoon te geconcentreerd is: dat wordt er met elastiekjes naar de andere kant van de vloer geschoten - een enkele keer met fatale afloop. Toen ik de eerste keer stagevergoeding kreeg en op mijn bankafschriften keek, stond er bij dat bedrag: 'Welkom bij de club'. En ik voelde me even stiekem heel trots. Want elke maand wordt er door deze club een geweldig blad gemaakt. Stress of geen stress, drama's en frustraties: alles komt voorbij, maar elke maand ligt er een schitterend blad in de winkel. En dat ik die club nu moet gaan verlaten, doet best een beetje pijn.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten